Schakelen en loslaten

“Ik moet je wat vertellen”, zegt Joost, terwijl hij me ernstig aankijkt. Dit is menens, dat voel ik. Joost is normaliter heel opgewekt. Tijdens de voetverzorging voeren we altijd geanimeerde gesprekken over boeken, vakanties of andere leuke koeien en kalveren. Gezelligheid troef. Voor het eerst in al die jaren is de stemming anders, dat voelde ik meteen toen hij binnenkwam…

“Anna, mijn vrouw, ligt op de intensive care. Ze is ernstig ziek. De kans dat ze het niet haalt, is groot.” Kort, bijna zakelijk vertelt hij wat er aan de hand is. “Eigenlijk wilde ik de afspraak afzeggen”, zegt hij, “want ik ben er erg emotioneel onder. Ik zit om de haverklap te janken en dat wil ik jou niet aandoen. Maar ja, pijn aan mijn voeten kan ik nu ook niet echt gebruiken”.

Ik zeg tegen Joost, hoe erg ik dit voor hem en Anna vindt. Daarna buig ik me over zijn voeten. De rest van de tijd zeggen we niet veel meer. Joost legde uit, hoe vermoeiend het is om steeds weer hetzelfde verhaal aan Jan en alleman te moeten oplepelen. Dat kan ik me goed voorstellen, dus laat ik aan hem over of we praten of niet. Af en toe rollen er zomaar tranen over zijn wangen. Hij veegt ze driftig weg. Ik voel een enorme drang om hem te willen helpen maar ik besef, dat ik dat niet kan. Aan mij de taak om zijn voeten in orde te brengen. Daar komt hij voor, niet voor een hulpverleningsgesprek. Hopelijk doet de rust hem goed. Bij vertrek wens ik hem alle sterkte.
Tijdens het opruimen en schoonmaken voel ik me triest. Wat een ellende maken Anna en Joost nu mee. Vreselijk, als zoiets je overkomt.

“Klop, klop, is het nog bezet?”, vraagt mevrouw S, terwijl ze om de hoek van de deur gluurt. “Ha, die Bernadet! Ik doe een schietgebed, dat jij mijn ingroeiende nageltjes weer eens redt”, rijmt ze lachend. Ze ploft neer in de behandelstoel en kletst me veertig lange minuten de oren van het hoofd. Het is wel eventjes schakelen. Van stil en verdrietig naar moppen tappen en schaterlachen. Want deze vrolijke Frans verwacht altijd wel een portie gezelligheid van me terug. Ik doe mijn best.

Daarna sloft mevrouw B. al mopperend naar binnen. Zoals altijd zeurt ze aan één stuk door over alles en iedereen. Doorgaans kan ik dat wel hebben. Nu moet ik mijn lippen op elkaar persen om te voorkomen dat ik haar nijdig toebijt dat ze zich juist gelukkig moet prijzen met haar blakende gezondheid.

De rest van de dag en ook de dagen erna zijn mijn gedachten regelmatig bij Anna en Joost. Meestal lukt het goed om de sores van cliënten van mijn schouders af te schudden. Maar soms is dat toch wel lastig. Hier is het laatste woord nog niet over geschreven.

Bernadet