‘Hongers’nood breekt wet

De week voor mijn zomervakantie werk ik me vier slagen in de rondte. Terwijl ik mij doorgaans strikt houd aan één ‘koopavond’ per week, werk ik er nu drie om alle voeten voor mijn vertrek tiptop in orde te brengen. De allerlaatste afspraak om half tien is gereserveerd voor Karima. Zij zit tot acht uur ’s avonds achter de kassa en ze moet zich haasten om op tijd bij mij te zijn.

Op zich vind ik dat late tijdstip ook geen punt, ware het niet, dat mijn eetpauzes er vandaag door de drukte compleet bij ingeschoten zijn. De planning was iets te optimistisch. Veel meer dan een gevulde koek heb ik tussendoor niet naar binnen gepropt. Mijn bloedsuiker begint juist behoorlijk te dippen als Karima met een grote, geurende picknickmand binnenkomt. “Je zult het wel raar vinden, Bernadet, maar ik heb eten bij me. Vanwege de ramadan mag ik pas om 21.54 gaan eten vandaag. Ik rammel van de honger, want ik heb sinds vanmorgen vier uur niets meer gehad. Ik ga van mijn stokje als ik moet wachten tot jij klaar bent met mijn voeten. Het is heel zwaar nu de ramadan midden in de zomer valt en het zo lang licht blijft.’

Ai, dit is een dilemma. In gedachten doemt een heilige praktijknorm uit de Code in vette letters voor me op: “Gij zult niet eten en drinken in de praktijkruimte!”. Tegelijk voert mijn lege maag mijn inlevingsvermogen tot ongekende hoogte. Straks zit ik nog met een flauwgevallen patiënte omdat ik haar bevolen heb te wachten met eten tot we klaar zijn.
De gedachte om een pauze in te lassen en haar in de gelegenheid te stellen om iets te eten in de wachtruimte, is ook onaantrekkelijk. Als zij daar die grote picknickmand gaat uitpakken, wordt het helemaal nachtwerk voor ik de deur kan sluiten.

Nood breekt wet en ik kies voor een compromis. Ik spreek met Karima af, dat ze één broodje rechtstreeks uit het zakje eet om zo de kans op het meehappen van ongewenste stofdeeltjes minimaal te houden. Als we klaar zijn, mag ze verder eten in de wachtruimte, terwijl ik ga schoonmaken.

Om precies 21.54 geeft Karima’s ramadam-appje het sein dat ze mag eten. Heerlijke geuren dringen door mijn mondkapje, het water loopt me in de mond. Mijn maag knort nu aan één stuk luid en duidelijk boven het geluid van de motor uit. “Jij gaat zo mee-eten hoor”, zegt Karima beslist. “Mijn moeder heeft me toch veel te veel meegegeven. Ze kan heerlijk koken, dat moet je proeven”. Haar aanbod klinkt zeer verleidelijk. Ach, wat doet de tijd er ook toe.
Als ik tien minuten laten klaar ben met haar voeten, verhuizen we samen naar de wachtruimte. Ze stalt de meest lekkere hapjes op het salontafeltje uit en we peuzelen het gezellig samen op. Een grappiger en culinairder begin van de vakantie kan ik me echt niet wensen.

Bernadet